BROK s t u k j e s

Ontdek hier enkele van de teksten die hij aan ons naliet. Ze geven een (zei het oppervlakkig) beeld van zijn leven.

Wil je eigen herinneringen delen? Dan kan dit via deze knop: 

FIETS

Lees fiets. Spreek uit vélo of veló.

Met vader op stoeltje op de ‘buis’. Anekdote: Duitse soldaat ‘halt’ ons, ziet mij, heeft in de Heimat ook zo’n kindje. En we mogen door zonder controle. Klein groen meisjesfietsje om naar het pensionaat in Mater te fietsen (vanuit Ronse of vanuit Leupegem?). Een grote velo kreeg ik bij mijn plechtige communie, dus einde vijfde leerjaar. Ja, inderdaad meteen een fiets voor volwassenen. In chromé, met torpedo.

Toen ik veertien-vijftien jaar was, ben ik ermee tegen een stilstaande auto ingereden. Kader geplooid. Perte totale, zou dat tegenwoordig zijn. Toen niet. Muys zaagde de/het kader door en laste er een ander voorstuk aan. Dat schilderde hij blauw. Mijn velo heette voortaan ‘blauwe vogel’. Toen ik het huis uit was, ging mijn
vader hem als zijn fiets beschouwen.


In Leuven, als student, had ik de oude fiets van mijn vader: tamelijk zwaar en groot ‘verzet’, zwart, zonder kettingbeschermer. Die fiets heeft ook zijn geschiedenis. Het is een oorlogsverhaal. De Duitsers eisten fietsen op: ze kwamen van Limburg waar ze al fietsen hadden aangeslagen, maar die hadden een groot verzet en hier geraakten ze er de heuvels niet mee op. Dus lieten ze die fietsen achter en pakten er nieuwe, ook die van mijn vader. Hij ging naar de Kommandatur, argumenteerde daar dat hij als  gemeenteontvanger in Mater een fiets nodig had. En zo kreeg hij die ‘Limburgse’ fiets. 

Toen we van Congo terug waren gekeerd, heb ik een nieuwe fiets gekocht in de GB. Met versnellingen (Sturmey Archer). Die is gestolen aan mijn werk (Van Evenstraat). Ik heb toen, 1968 ongeveer, op de politieverkoop in Heverlee een fiets gekocht voor 700 frank. (De verkoop gebeurde per opbod). De fiets bleek een deuk te hebben gehad in de/het kader of de vork. Op aanraden van buurman Rik, ben ik naar Mie Gareel, oudijzerhandel in de Vaartstraat gegaan (met de fiets van moeke vermoed ik) en ben er van terug gekomen met een kader. Ik heb die geschilderd (rood) en heb met de onderdelen van de beschadigde fiets een ‘nieuwe’ ineen geflanst.

Ik ben ermee blijven rijden tot mijn pensioen. Kort erna ben ik nog maar eens tegen een stilstaande auto gereden met een ingedeukte kader tot gevolg. Peter, toen deeltijds fietsenhersteller, nu (2020) bij VELO, heeft me toen een gemakkelijke occasiefiets bezorgd. Daarmee heb ik een tiental jaren gereden. 

Er waren altijd wel reservefietsen of fietsen met een speciale bestemming. Dank zij André die het ‘groot vuil’ afschuimde en de fietsen opkalfaterde. 

Na een paar valpartijen in de winter 2014-2015 heb ik afscheid genomen van de mannenfiets. Het afscheid viel minder zwaar omdat ik die fiets aan Kamiel kon overlaten voor ‘op kot’. Sindsdien rijd ik op een damesfiets. Met Sturmey Archer versnellingen. Meer moet dat niet zijn. (Nog?) geen elektrische fiets.

Mijn eerste damesfiets is gestolen aan het station in Wijgmaal. Een tweede heb ik gekocht in de buurt voor 50 €. Er staat nog een reserve-vrouwenfiets klaar. Een eenvoudig model met torpedo (achteruittraprem). Overgenomen van Kato. Ik gebruik hem vooral om naar de boomgaard in de Karrestraat te rijden.

De stock fietsen in de boomgaard is er niet meer. Enkele jaren geleden heb ik de kringloopwinkel ‘t Spit 18 fietsen laten weghalen. Toegegeven, er waren ook kinderfietsen bij.

Excuus: mijn eigen occasiefietsen-manie heeft mijn hele gezin ook altijd met tweedehandsfietsen opgescheept. Nu ze op eigen benen staan, lijken ze die manie niet te hebben geërfd. Tenzij Kato misschien - die overigens haar mannetje kan staan als mecanicien - die de oude (oudste! Ik schat 70 jaar) velo van moeke koestert.

Allo, is't café? 't Is café.

Bij tante Yolande in Kwaremont. Begin jaren 50. Dochtertje
Brigitte speelt telefoontje, met een houten lepel of zo iets.
“Allo is ’t café?”. 

Over welk café het ging, maakt niet uit. Dat Brigitte naar een café belde, is wel van-die-tijd. Café’s waren bij de eerste huizen die een telefoon hadden. Je kon daarnaar bellen en vragen een buur te halen.  Bij mijn grootouders, mémé, café ‘In de wachtzaal’ hing er een telefoon aan de muur in het café. Voor dienstverlening en voor eigen zakelijk gebruik, bv. helpers bellen voor de oogst of om aardappelen te rapen. Je vormde het nummer op een draaiende schijf.

Ik ben nooit een caféganger geweest. Toch heb ik wel wat met café’s te maken gehad. 

In den IJzer.
We schrijven eerste wereldoorlog. Mijn overgrootvader Désiré Roman had net ervoor een groot huis gebouwd op het kruispunt van de straat waar hij woonde met de grote steenweg Oudenaarde-Brakel. Het werd een boerderij voor zijn zoon Monk en een herberg-winkel voor schoondochter Clara. Het café was een schot in de roos. Al in de oorlog toen er ook Duitse soldaten kwamen, later door de halte van de stoomtram van Brakel naar Oudenaarde. Andere klanten waren de kantonniers (die de wegen onderhielden, onder meer met de zeis de straatkanten maaiden). En wie te voet of met de fiets passeerde, sprong eens binnen. Zo ook mijn vader, Daniël, toen de oudste dochter, Anna, op huwbare leeftijd was. En daar begint dus mijn levensverhaal. Neen, niet achter de halve deur, maar een paar jaar later in Ronse.

In de Wachtzaal
Waarom Clara en Monk naar Leupegem verhuisden, is een ander verhaal. Kort: genoemde Désiré had voor elk van zijn tiental kinderen in een ‘doening’ (huis en boerderijtje) voorzien, maar het eigendom bleef bij hem; na zijn dood deed zijn vrouw, ‘meetje’, de verdeling door loting. En door die loting kwam Monk in Leupegem terecht, meer bepaald rechtover het station. Hij kon er boeren op grond en  weiden, die wel niet dichtbij lagen. Vandaar dat hij, pépé, altijd met paard en kar op weg was. Hij voerde ook kolen uit vanuit het goederenspoor aan het station. En Clara zette haar herberg-roeping voort. Na enkele jaren was dat samen met haar drie dochters ‘op huwbare leeftijd’. Die huwbaarheid is inderdaad uitgekomen.

De klanten van het café waren verscheiden: stamgasten, mannen die soms ook met hun vrouw kwamen, de vier of vijf ‘mannen van de statie, de ‘mannen van den ijzerweg’ die de sporen tussen Oudenaarde en Ronse onderhielden, treinreizigers die rustig konden ‘wachten’ tot de mannen van de café-wachtzaal naar de echte wachtzaal gingen, boeren, graan- en veehandelaars die hun wagens kwamen wegen op ‘den baskuul’ (weegbrug).

Op speciale dagen, was het volle bak. Bv. tijdens de gemeentelijke kermis met geitenkeuring, volksspelen, toneel. Dan werd er ook gedanst. Wat heb ik daar als kleuter en jonge tiener al niet geleerd? Glazen wassen, platen spelen (48 toeren, regelmatig naald vervangen). Klutsjes bier geproefd – en dat was het allicht, samen met de  onaangename geur, dat me voor eens en voor altijd van de ‘drank’ heeft afgehouden. Vooral veel gehoord en gezien dat ik op dat moment niet snapte, maar toch ergens een zekere levenservaring heeft bijgebracht. Bijvoorbeeld omgang met mensen van alle slag.

De kleine tap
De eigenlijke naam van het café van Martha aan de grote kerk in Ronse ken ik niet. De ‘kleine tap’ was een verwijzing naar de eigenlijke tap, de Christelijke Volksbond, lokaal van de christelijke, sociale, Vlaamse verenigingen. Het waren hetzelfde soort mensen die elkaar in beide gevallen ontmoetten. Er werd gepraat, gekaart, gezongen (bijvoorbeeld aria’s uit de operettes die in de Volksbond
werden opgevoerd). Met mate gedronken. Als de maat daarvan vol was en bij het kaarten de verliezers toch nog een rondje moesten geven, kon het ook een stuk chocolade zijn. Tot plezier van de kinderen. Inclusief zilverpapier en ‘chromo’, d.i. een prentje, meestal ‘opvoedkundig’ bv. geschiedenis, dierkunde. Je kon de prentjes sparen, ruilen en in een boek kleven.

Het Vertier

De kangoeroewoning waarin ik in 2010 mijn intrek heb genomen, leunt aan bij een eetcafé. Ik ontmoet er oude en nieuwe bekenden.

Weldadig!

De Valies

Het woord is afgeleid van ‘la valise’, dus vrouwelijk; volgens het groene boekje ‘het valies’; en in echt Nederlands ‘koffer’ of beter ‘hand’- of ‘reiskoffer’, mannelijk. Het Franse ‘coffre’ is in het betere Nederlands ‘kist’ en ‘coffre-fort’ brandkist of kluis.

Eerste schuifje

De valies is gekocht in 1936 voor of door Anna Roman voor een reis: Lourdes-bedevaart. Als Anna trouwt in 1937 verhuist de valies mee naar Ronse. Anna’s zoontje Paul, ik dus, krijgt ze mee naar het pensionaat op het einde van de oorlog en de eerste jaren erna. Mijn herinneringen zijn
geur en smaak als je de valies open zette: van appels en chocolade … geen massa’s, wees gerust: enkele bewaarappelen (sterappel, renet) en enkele repen chocolade (Jacques of Meurisse).

Tweede schuifje

In 1956 viert de valies haar 20e verjaardag. Ze komt weer
tevoorschijn. Op en af naar Leuven. Ze doet er vier jaar
dienst voor kleren heen en vuile was terug en in de ‘blok’
allicht ook boeken en cursussen.

Na de Leuvense periode kwam de legerdienst. (1960-61) De valies ging mee. Naar Turnhout. En van daar uit naar Soest in BSD (Belgische Strijdkrachten in Duitsland). Bij die verhuis heb ik gevloekt op de valies: zwaar! Ik had een pak cursussen mee omdat ik in de loop van het jaar
examen voor het aggregaat zou afleggen. Aan de ene hand dus de valies, aan de andere hand of op de schouder de kitbag.

Wanneer, waarom en hoe is de valies nog verhuisd. Hebben mijn broer en zus ze nog gebruikt? Ze is in niet mee geweest naar Congo of naar de Filippijnen. Daarvoor was ze … te klein.

Derde schuifje

Toen Hilde naar Zwitserland op sneeuwklas ging, mocht de valies mee. Getuige: de kraal sticker op de valies geplakt.

Nadagen

De valies bergt allerlei stofjes op in de Schotstraat en sinds 2009 in de Karrestraat. Is de tijd niet gekomen dat ze met pensioen gaat? Na meer dan 85 jaar! Of krijgt ze een nieuw, gepimpt leven, Felien?

KSA en Chiro

KSA

Een bruin zakboekje (9,5 cm H, 7,5 cm B) heeft het overleefd. Een confronterende herinnering voor mij. Een bron voor de volgende generatie(s). Bron van, tja waarvan? Misschien wel van verwondering: hoe was het mogelijk? Ik vraag het me zelf ook af.

Katholieke Actie is actie opgezet door de katholieke Kerk in de eerste helft van de 20e eeuw om de secularisering van de samenleving tegen te gaan. De kerkelijke gezagdragers van paus en bisschoppen tot priesters (mannen!) organiseren leken ( niet-geestelijken, mannen en vrouwen, jongens en meisjes) om actief hun geloof te tonen in hun omgeving. Dat gebeurt per ‘stand’. Onder meer arbeiders (Cardijn), boeren, studenten. Vandaar in Vlaanderen en voor de jeugd: KAJ, BJB, KSA. Wat we nu jeugdbeweging noemen, was een middel voor de opvoeding en voor ‘apostolaat’: de Kajotters, BJBers, KSAers zijn ‘apostels’ in hun milieu.


Vanaf het vijfde leerjaar werd ik lid van de KSA. Wist ik toen veel wat die PX (zo spraken we dat uit) betekende! [ΧΡΙΣΤΟΣ, of Χριστός) – Chi (χ) en Rho (ρ)] en wist ik wat KSA betekende, laat staan wat katholieke actie inhield! Wat ik me wel herinner (mede dank zij foto’s): de vendel (zoals patrouille bij de scouts)-huisjes op een zolder in het college: met planken en jute gemaakt en beschilderd om er als een middeleeuws huis of burcht uit te zien.

Chiro

Een paar jaar na het college begonnen we met enkele oud-KSAers en een jonge onderpastoor een chirogroep. Voortzetting van ‘voor Christus’ , maar met een sociale inslag: niet alleen voor de college-elite, ook voor die van de technische school en van een iets lagere sociale klasse (al waren wij zelf ook van geen te hoge klasse – die waren in Ronse trouwens Franssprekend en ook veeleer Belgicistisch). De idee van het ‘apostolaat’ zat er nog sterk in: dat moest beter lukken vanuit de parochie.

Als ik nu naar die enkele jaren Chiro terugkijk, zie ik continuïteit met de KSA, maar ook een meer “moderne” jeugdbeweging.
Continuïteit als ik naar de liederen van die tijd kijk. “Voor Christus ons leven te geven, is de droom van elk jong kameraad”. “De Vlaamse vendels marcheren, de jeugd van de Koning treedt aan” Dus nog voor Christus en Vlaanderen “ten strijde” … tegen wie? Wie de vijanden zijn, wordt (gelukkig) niet vermeld.

Naast de liederen, waren er ook wachtwoorden en leuzen. Onder meer “radikaal”. Op een punt was de Chiro toen nog radikaler dan de KSA. Ooit werd ik als KSA mannetje in uniform door een man vanuit een café nageroepen: “sale boche” (vuile mof). Dat verstond ik toen niet. En zelfs later, in mijn tijd bij de Chiro had ik niet door dat we de lijn van de Hitlerjeugd aan het doortrekken waren.

De uniformen om te beginnen: korte zwartfluwelen broek (bij de KSA hadden we nog lang een doorgaans veel te grote bruine broek omdat onze moeders die korte broeken multifunctioneel zagen) , das (we noemden hem wel ‘foulard’) en bij de Chiro een bruin hemd (zoals de bruinhemden, knokploeg van de nazi’s). We waren ons van geen kwaad bewust. Evenmin als we van de formaties, de inspectie van de uniformen, de driloefeningen (voorwaarts, mars, een, twee) het militaire, disciplinerende karakter zagen.

We waren er ons niet eens van bewust dat we marsliederen van het Nazileger zongen, bv. “de machtigste koning van storm en van wind is de arend”. We zongen ook andere liedjes .

En zo kom ik bij de ‘moderne’ Chiro. Nogal wat van die liedjes kwamen tot stand in de Universitaire Leiders Kring in Leuven en een paar jaren heb ik daar zelf lustig in mee gedraaid, omdat ik op kot was in het Chirohuis, Tiensevest 128. We testten daar ook spelletjes. We hadden wel een wekelijkse mis in Bellarmino (Damiaanplein). Toch lag de nadruk op de creativiteit die de hele bende erna in het Chirohuis kwam uitleven: ten bate van de eigen Chiro de zondagen daarna en van de tips die alle leiders en leidsters in hun tijdschriften ad hoc zouden vinden.

Intussen is de Chiro de grootste jeugdbeweging van Vlaanderen. Ik zie op de website : Chiro, dat is Spelen, Lachen en Fun

 

Kiswhili

Ken ik Kiswahili?

Hapana, neen, zeg ik dan. Of kidogo tu, een beetje maar. Of zamani, vroeger.

In 1963 in Congo aangekomen, heb ik een poging ondernomen om het te leren. Bij pater Viaene. Vandaar dat ik het kruisteken nog kan maken: kwa jina la baba, na la mwana na la roho mtakatifu.

Heb ik de taal ooit beheerst? Ik heb het ooit zo ver gebracht dat ik vragen kon stellen, de indruk geven dat ik de antwoorden verstond, maar achteraf aan de student die met me mee was, moest vragen wat die persoon had gezegd.

Een keer heb ik een woordje geplaatst. Voorbereid! Voor een groep mannen na de zondagsmis. Dat was in Kabare, in de Bushi.
Maar was Swahili wel de juiste taal voor mij? Het was in de koloniale periode een van de vijf ‘vehiculaire’ talen in Congo. Dus was het feit dat ik Swahili sprak een van de elementen die me in de koloniale hoek plaatsten. Te meer daar de Kerk intussen op de ‘vernaculaire’ taal, in dit geval Mashi was overgeschakeld. (De protestanten niet.)

Toen ik voor het 25-jaar jubileum van het Centre de Formation Sociale naar Bukavu terugkeerde, ergens in de jaren tachtig, friste ik mijn grammatica op en maakte ik een woordenboekje met 200 woorden. Ervaring: hoe weinig je gezegd krijgt met zo weinig woorden en hoe simpel de wereld dan is.

Post scriptum. In de Filippijnen deed ik het tegenovergestelde: de streektaal, Ilocano, geleerd en nooit gebruikt, in plaats van de eenheidstaal, Pilipino/Tagalog. Een beetje Pilipino zou ten minste aangenaam geweest zijn voor wat ‘small talk’ met collega’s en kennissen.

Prijskamp

In het vierde studiejaar in het pensionaat in Mater. We zijn er van ’s
morgens vroeg tot ’s avonds laat ondergedompeld in de zeer katholieke
godsdienst: mis, communie, lof, aanbidding van het Heilig Sacrament
(hostie in monstrans), gebeden voor en na het eten, schietgebedjes,
versterving, akte van eerherstel aan het Heilig Hart van Jezus (op de eerste
vrijdag van de maand), paternoster, buigen telkens je het Mariabeeld in de
gang voorbijkomt, Marialiederen zingen aan de Lourdesgrot in de maand
mei. Wat ben ik vergeten?

En daarbovenop een vak godsdienst. Wie vak zegt, zegt test, proef, examen. In die tijd ‘concours, vertaald als prijskamp: kampen voor een prijs. Op het einde van het jaar hadden we met tweeën evenveel punten. Naar wie zou de prijs van godsdienst gaan? Ex aequo kon niet. Er was maar één winnaar. Op de proclamatie kreeg die een kroontje op het hoofd gezet. Zoals in het klassieke Rome. Gemaakt met ijzerdraad met goud- of zilverpapieren blaadjes errond en vooraan twee knikkergrote bolletjes. Je kreeg die door een plaatselijke geestelijke of notabele opgezet.

Wat als je meer eerste prijzen had? Want er waren er ook voor gedrag, vlijt en misschien nog andere, en voor excellentie (prix d’excellence) voor de eerste van de klas, dat is diegene met de meeste punten in totaal. Waarom konden die kroontjes niet verdeeld worden, vraag ik me nu af: als je al de gouden kroon had, hoefde je niet ook nog een zilveren te hebben.

Maar goed, voor de prijs van godsdienst moesten we dus ‘kampen’. Een
bijkomende prijskamp. In de klas bijkomende schriftelijke vragen oplossen.
Soeur Marie-Thérèse betrouwde haar twee godsdienst-kandidaten en het
kwam niet bij haar op dat we samen zouden werken. Dat deden we ook niet:
onze naastenliefde-opvoeding was nog niet zo ver gevorderd.

Een van de vragen was: noem de vier evangelisten. Ik kende er drie. De deur stond open. Op de vensterbank stond het belletje om het einde van de
speeltijden aan te geven. En daarop stonden die vier evangelisten Mijn klasmakkers wilden mij de vierde naam geven. Dat wilde ik niet. Niet voor de
prijs van godsdienst. In elk geval heb ik niet ‘gezeurd’ (spieken). Uit godsdienstige overtuiging of gewoon uit angst voor het alziende oog van God.

Ziet en weet God alles?

'God ziet alles, zelfs onze geheimste gedachten;
Hij weet alles, ook de toekomende dingen.', uit de Catechismus

Zonder is gezonder

Volgens Velt is tuinieren zonder pesticiden gezonder. Als Velter weet ik dat je niet op één zonder-been kunt staan. Je kunt maar zonder spuiten, als je ook zonder spitten en vooral zonder kunstmest werkt.

En ik heb nog vele zonders buiten mijn tuin. Zonder vlees, zonder tv, zonder plastron en kostuum, zonder gsm en andere e-snufjes. Terecht of ten onrechte. En ja, ook zonder auto. Terecht?

Toegegeven, het zit misschien in mijn genen of zwak karakter. Toen ik twintig was, heeft mijn vader mij moeten dwingen te leren autorijden. Met een vriend van hem, een boer die waarschijnlijk beter met de tractor dan met een auto kon rijden en in elk geval niet veel ervaring met rijlessen had. Maar dat mag geen excuus zijn. Het was mijn fout dat ik op het gaspedaal duwde in plaats van op de rem en pardoes tegen een boom smakte.


Toegegeven, ik heb een auto gehad. In Congo. Daar was niet zo veel verkeer. Ik reed ooit een hele dag op de heuvels, dus met veel bochten, in Rwanda. Ik kwam maar een enkele tegenligger tegen. Een vrachtwagen nog wel. In een bocht. Gelukkig was de chauffeur wel deskundig.

Toen we weer in België waren, kocht mijn vrouw een tweede hands kever. Ze gebruikte die vooral om de kinderen naar de gymnastiek- en muziekles te brengen. En als we naar de familie gingen, 100 km, mocht ik aan het stuur, kwestie van het niet af te leren. Met drie kinderen achterin was het best gezellig, maar allicht niet al te veilig. We zongen liedjes en ik keek meer naar het landschap (Vlaamse Ardennen) dan naar de weg.

Anderzijds ben ik een zekere tijd fanatiek geweest. Ik reed zelf niet meer, ik vermeed met anderen mee te rijden, een paar keren ging ik zelfs met de trein naar de familie, terwijl mijn vrouw met de kinderen met de auto reden.

Toegegeven, ik heb mijn zoon leren rijden. Dat wil zeggen, hij heeft het zichzelf geleerd. Ik zat er naast en ging met hem naar het rijexamen terwijl ik zelf al tien jaar niet meer reed. Waarmee ik wel reed, was vooral met de fiets en met de trein, soms met de eigen fiets op de trein of met trein-plus-fiets. Sinds ik 65+ ben, is daar de bus bijgekomen. Als ik enkele jaren geleden wekelijks naar mijn moeder ging in Kwaremont (denk aan de Rondevan Vlaanderen) was dat fiets, trein, trein, bus, te voet en terug in omgekeerde volgorde. Ik was wel zeven uur onderweg.

Toegegeven, ik ben nu gepensioneerd. Ik heb dus tijd. Ik ben gelukkig nog fit genoeg om geen elektrische fiets nodig te hebben. En ik zie er niet tegen op me te voet te verplaatsen. (Toch eigenaardig dat mensen met de auto naar de spreekwoordelijke bakker gaan en ’s zondags gaan stappen of cyclotoerist-gewijs gaan fietsen.) Voor langere afstanden zijn er de goedkope trein- en bustarieven, respectievelijk 6.20 € heen-en-terug in heel België en 50 € voor een jaarabonnement.

Wat zou ik doen als ik nu een gezin had met kleine kinderen? Een fietskar vind ik nog altijd gevaarlijk en ik vond het menselijker met een of twee van mijn kinderen of kleinkinderen dichtbij op de buis of het stoeltje. Kinderen te voet of met de fiets naar school sturen, is tegenwoordig gevaarlijk. Naar de lagere school gingen we met broer en zus en met een paar andere kinderen drie kwart uur te voet, naar de middelbare school met de fiets.

Maar ja, “the times, they are a changin’”. Ik zou, denk ik, toch autodelen. 

Jutte zakken

Mijn vader ging geregeld bij een of andere boer van de familie helpen. En hij
kwam al eens thuis met een paar jutezakken, opgerold met een koordje
errond, op de bagagedrager van zijn fiets. Hij spaarde die voor ik-weet-niet-welke- gelegenheid. De boomgaard was zo een gelegenheid, het dichtste dat bij zijn nazaten bij een boerderij kwam. Ik gebruikte al eens een kleine zak om aardappelen of appels in te vervoeren. Of grotere om dezelfde landvruchten af te dekken tegen de vrieskou.

Muizen zagen er nogal eens een ander gebruik in. Als de muizen er voor een onfris ruikende behoefte gebruik hadden van gemaakt, belandden de zakken op de composthoop. Zo niet, stapelden ze zich op.

Als mijn vader gestorven was, erfde ik nog een voorraadje jute zakken. Lees: niemand anders wilde ze. Ze belandden ook in de boomgaard. Bij elke  opruiming verdwenen er enkele, maar het gros werd opengevouwen, opnieuw geplooid, in dozen of kisten geborgen. Zo ook bij de opruiming van augustus 2015. Benjamin heeft er enkele op een rijtje gelegd en gefotografeerd. Die en andere jutezakken zitten weer netjes opgeplooid in hun kist.
Ze zitten er archeologisch onderaan, onder hun opvolgers: geweven witte en zwarte zakken in kunststof. Bovenaan liggen enkele zakken in het huidige plastic. Hoe lang zal het duren eer ook die archeologie worden?

Er zijn geen boeren meer

1974 nat voorjaar. De boeren kunnen niet op hun veld. Radio en pers beschuldigen: zware tractoren en machines drukken de grond aan, de regen dringt niet door. In de sociale school van de Poststraat, hartje Brussel heb ik het geluk met een paar kleine groepen te werken. In een ervan zit Marleen. Ze vertelt dat haar ouders het witloof niet uit de grond krijgen met de, nochtans niet zo gigantische machines. We gaan helpen!

Op de afgesproken dag trekken een vijftiental studenten (ik heb geen aanwezigheden opgenomen) naar een boerderijtje ergens in het Hageland. Als ik tegen negen uur per fiets vanuit Herent aankom, zijn ze al aan de slag. De studenten, zelfstandig en creatief als ze zijn, hebben er al overnacht.

Met een door een Brabants paard getrokken vorenploegje rijdt Marleens vader rond het perceel. De witloofplanten komen mooi schuin te liggen. Rondom staan de nieuwbakken helpers de planten op te rapen en er het loof van af te snijden.

Ik heb het voorrecht mijn opleiding te krijgen van Marleens moeder: 1 cm boven de wortel afsnijden. Het perceel is niet te groot en het wordt dus een gezellige boel. Gevaar voor nonchalance en daaruit voortkomende ongelukken, vreest de ‘verantwoordelijke’ begeleider in mij. Dankzij een welkome onderbreking met boterhammen aan de grote keukentafel en een dalende snelheid – voor de snijders, niet voor man en paard - loopt alles vlekkeloos.

Het was mooi. Mooi geweest? Toch niet. We zijn nog enkele maanden met het thema bezig geweest. “Project-onderwijs” heette dat toen. De klap op de vuurpijl was een voorstelling in de feestzaal van de school, samen met andere groepjes die ook over het thema hadden gewerkt, zij het niet op het veld. Een onderdeel van het programma was een lied dat Marleens groepje had gemaakt (de tekst had ik wel voor mijn rekening genomen): een lange tekst met een meeslepende melodie, begeleid door ‘bosinstrumenten’. Van de tekst herinner ik me alleen het refrein: melodisch, eerst klagend Gregoriaans, daarna, door stafrijmen gedragen staccato: er zijn geen boeren meer, maar technisch-efficiënte proteïne-producenten die maar werken en maar slaven van de morgen tot de avond

Lopen

Tegenwoordig is “joggen” in zwang.  Dan zeg ik “dat woord (neologisme) heb ik niet nodig, ik loop al heel mijn leven.”  In de laatste jaren van de middelbare school. Als onze klas voetbalde op het sportterrein van de plaatselijke voetbalclub, deed ik niet mee. Ik liep rondjes. Soms met een of twee maten.

Eerste jaar Leuven. In het seminarie Leo XIII. Idem dito: iets langere rondjes rond de vijvers van de abdij van ’t Park. Tweede en derde jaar in Leuven. Op kot in de Tiense straat (hoek Ravenstraat). Ik ga de woensdag namiddag naar de atletiek-training in ’t sportkot. Alleen voor de opwarming. De rest is boven mijn kunnen. Toch iets geleerd van trainer Balogh: “je loopt tien voor tien” (Chaplin!) Dat probeer ik nog altijd in de gaten te houden. Vierde jaar Leuven. Op kot in het Chirohuis, Tiense Vest. Ik liep geregeld ’s avonds op de Vesten en langs de vaart.

Legerdienst. Naast militaire training; lopen met hoge schoenen, rugzak, geweer, ook sport. In Soest bij de grenadiers ontdek ik het plezier van veldlopen. Afgezwaaid, blijven lopen, “op mijn tempo” zoals dat heet. Dat is me sindsdien tamelijk goed gelukt. Een keer per week een uurtje, meestal de zondag. “Als ik een zondag niet heb gelopen, is het geen zondag geweest”, pleeg ik te zeggen.

Toen ik veertig werd, heb ik me aangesloten bij een Leuvense atletiekclub, LAC, niet Daring, want dat was “de club der kampioenen”. Ik nam deel aan de veldlopen in de streek, zo ver als ik er met de fiets kon geraken … en terugkeren. 

Afgezwaaid, blijven lopen, “op mijn tempo” zoals dat heet. Dat is me sindsdien tamelijk goed gelukt. Een keer per week een uurtje, meestal de zondag. “Als ik een zondag niet heb gelopen, is het geen zondag geweest”, pleeg ik te zeggen.
Toen ik veertig werd, heb ik me aangesloten bij een Leuvense atletiekclub, LAC, niet Daring, want dat was “de club der kampioenen”. Ik nam deel aan de veldlopen in de streek, zo ver als ik er met de fiets kon geraken … en terugkeren.

Na de tijd van de crossen, waren er de stratenlopen in Herent en in de omliggende gemeenten. Ik werd steeds beter: niet meer de laatste! Niet waar, dat komt omdat op zo’n stratenloop mensen meedoen die niet gewoon zijn te lopen.


Om af te ronden: stratenloop in Leuven, “Corrida”, laatste zondag van het jaar. Een tiental keren. De laatste jaren met enkele van mijn kleinkinderen. De 4 kilometer. Of de 8 met de bedoeling een stuk onder het uur te blijven en dat lukte, mede dank zij de oefening in de maanden ervoor met Ewoud en de opoffering van Kamiel – nochtans de beste loper - die bij mij bleef tot op de meet. Als mijn aantekeningen juist zijn – op mijn geheugen kan ik niet betrouwen – heb ik in 2017 niet mee gedaan wegens rug- en kniepijn. In 2018 wel, maar dan de 4 km. Als dat juist is, tot tachtig jaar oud. (Kamiel nam mij weer op sleeptouw en nam daarna nog aan de 12 km deel.)

Sindsdien loop ik nog wel op zondag. Alhoewel. Nadat ik een jaar helemaal had stilgelegen wegens rugpijn, ben ik einde 2020 herbegonnen. Maar ik loop nauwelijks vlugger dan dat ik stap en dat stappen is ook niet meer ‘as it used to be’ (The old grey mare, she ain’t what she used to be).
Ik vrees dat ik op mijn laatste benen loop.

Ons dagelijks brood

Toen we nog aan de Linde woonden even buiten Ronse, ging ik, zeven/ achtjarige, met mijn jongere broer en zus in een tinnen kannetje melk halen bij d’Jaks. Recht van de uier. Voor kruidenierswaren gingen we naar de winkel van Trientje, een paar honderd meter ver op de Ninoofse steenweg. We betaalden er met rantsoeneringszegeltjes. Er was altijd een hesp in huis. Die kwam van een verwante boer. Boter en eieren – je gelooft het niet- smokkelde ons moeder met de fiets onder een extra brede rok. Een keer stootte ze op een Duitse patrouille. Ze was zo aangedaan dat de soldaten haar meteen door lieten fietsen. Voorts ging ons moeder naar de markt in Ronse.

Ook toen we later in de stad woonden, ging ons moeder twee keer per week naar de markt, woensdag en zaterdag (netjes tussen de was- en kuisdagen in).
Specialiteiten zoals vijgen en peperkoek kocht ze in een grotere kruidenierszaak. Ze kende de uitbaters die net als zij van hun geboortedorp naar de stad waren gekomen. De voorraad aardappelen leverde Adrien, familielid en stadsboer, zoals we nu zouden zeggen. Ons vader haalde zoveel mogelijk uit zijn tuin van zo’n halve are: prei, selder, peterselie, aardbeien, zelfs peren aan de betonnen afsluiting.

Voor dagelijkse etenswaren konden we in onze, niet eens zo lange straat blijven. “Paul, ga eens een pakje koffie halen bij Mariette. Die wist wel welke koffie en ook welke zegeltjes ze moest meegeven. Of “Cecile, haal eens 100 gram paté en 50 gram filet d’Anvers”. Dat was voor het avondeten. Voor de middag-koteletjes of bloedworst ging ons moeder zelf bij beenhouwer Gilbert.

De melk haalden we niet meer bij de boer, maar in crêmerie (zuivelzaak) Platteau, het hoekje om. Ook de klouterkaas (platte kaas), de karnemelk en de boter. We kwamen daar niet zo dikwijls, want Platteau had ook een melkronde. Brood zette een bakker aan de deur. Waarschijnlijk omdat “iedereen moet leven” gingen we geregeld niet in de crêmerie, maar vlak ernaast kaas kopen. Meestal kwam de baas zelve voor. Hij sneed met krachtige hand feilloos een snee. “Hij ruikt verduiveld alweer lekker” zei hij steevast. Maar dan in het dialect. Dat klonk trouwens smakelijker.

Tijdens de blokperiode fietste ik ’s avonds nogal eens over de heuvels van de Ronde van Vlaanderen, al liet ik de Koppenberg letterlijk en figuurlijk links liggen. Meestal naar mijn grootmoeder in Leupegem. Daar kreeg ik een boterham met kaas. De kaas moest ik even halen bij tante Gabriëlle die een winkel had vlak achter het paadje waarlangs ik was binnen gefietst. Ze had me misschien al zien aankomen en stond klaar in de winkel. Snelbediening.

Tijdens een familie-etentje bij broer Piet die in Ronse is blijven wonen, komt de voedselvoorziening ter sprake. Er is nog altijd markt op woensdag en zaterdag, Er zijn misschien iets minder kruidenierswinkels. Niet meer van Trientje of Mariette, maar van Yussef en Muhamad. Ook zijn ze uitgebreid met een groente- en fruitstand op het trottoir. Er is een wereldwinkel en er zijn een paar nachtwinkels. Dat volstaat blijkbaar toch niet voor de gestegen en gewijzigde behoeften van de stedelingen. Er zijn nu grootwarenhuizen. Noem ze maar op. Allemaal hebben ze hier een vestiging. Op wandel-, zeker op fietsafstand. De hoorn des overvloeds.

Rita, de vrouw van Piet, excuseert zich tegenover mij. Zonder er in de winkel op te letten, heeft ze peulerwten uit Zimbabwe en asperges uit Peru klaar gemaakt. Ze had het niet hoeven te zeggen: ook mijn seizoensgebonden eetgedrag is ontregeld.

Dood zijn

Waarom zijn we bang dood te gaan? Dat heeft veel te maken met wat we
denken over dood zijn … of niet écht dood zijn, als we in een leven na de
dood geloven.

Uit mijn kindertijd is er een echo overgebleven van twee liedjes. Allebei van
café, kermissen en huwelijksfeesten. Het eerste allicht wat vroeger in de avond, het tweede wat later, in benevelde toestand.

We komen allen in de hemel, omdat we braaf zijn, omdat we braaf zijn … geweest. Als we bij Sint Pieter zijn, daar is’t iedere dag festijn: rijstpap met gouden lepeltjes, voor groot en klein.

(Jan Verbraeken - Wij komen allen in den hemel, te vinden op Youtube)

Dat komt uit de sfeer van het geloof. Niet rechtstreeks vanop de preekstoel, maar toch: voortbestaan is opgenomen worden in de ‘hemel’. Met ziel en/of
lichaam, dat lichaam misschien alleen na het Laatste Oordeel op het einde
der tijden en dan voor ‘eeuwig’. De gewone gelovigen, en ook de pastoors die de doodsbeeldekens schreven, maakten zich niet druk over zulke theologische vraagstukken. Als je dood ging, kwam je in de hemel om God te aanschouwen.

Dat was maar een saai vooruitzicht. Dus werd de hemel wat vermenselijkt: weer samen zijn met je geliefden. Dit liedje gaat nog een stapje verder: hoe maak je het wat gezellig? Aan tafel. Rijstpap (met melk bereid en met bruine suiker erop). Alle dagen en met gouden lepeltjes, voor groot en klein. Hé, groot en klein. Hou je dus de leeftijd waarop je sterft?)

En oes me duu sijn, groeit er gees op oezen buik.
En als we dood zijn, groeit er gras op onze buik.

Dat klinkt wat ketters. De boodschap is simpel. Als je dood bent, ben je
dood.

En de moraal is: neem het er nu maar van. In plaats van zich ‘versterving’ op te leggen met het oog op de hemel en schrik te hebben van hel en vagevuur.

Deel uw herinneringen

Dit is een levende blog. Deel gerust je eigen herinneringen aan onze Va, Opa, Paul.